Een gevaarlijke verhouding

Eerder verschenen in De Nederlandse Boekengids op 24 augustus 2022

Ogenschijnlijk boterde het niet erg tussen Haasse en het feminisme. Aleid Truijens laat in haar biografie Leven in de verbeelding zien hoezeer de schrijfster zich afkeerde van de feministische beweging in de jaren zeventig van de vorige eeuw. Het was Haasse allemaal te man-vijandig. In een interview uit 1994 tref ik aan dat Haasse het nog steeds ‘kinderachtig’ vindt om ‘bij alles wat niet goed is te roepen dat de mannen daar de schuld van zijn’.

Haasse beoogde iets anders dan wat feministen in de jaren zeventig voorstonden. Wat haar bij feministen als Joke Smit ergerde was het gebrek aan bewustzijn over de prestaties die vrouwen op ieder gebied al geleverd hadden. Hoe kon je de rolmodellen nou vergeten? Haasse wilde die voorgangers juist eren, zodat nieuwe generaties geïnspireerd konden raken.

Bovendien stond de term ‘emancipatie’ haar tegen. Wat nou, ‘man’? Ze stelde daar al in 1959 ‘evrouwcipatie’ tegenover. Waarom moesten vrouwen voldoen aan de mannelijke norm? Waarom niet het vrouwelijke, dat in ieder mens zit, benadrukken en opwaarderen? Als de man, de mens in het algemeen, niet rijp is voor het aanvaarden van het vrouwelijke in zichzelf, zo redeneerde zij toen, dan zal de houding tegenover de vrouw er hoogstens een zijn van ‘vertedering, tolerantie, platonische verering, seksuele geboeidheid, nieuwsgierigheid, geamuseerdheid’. Maar niet van gelijkwaardigheid.
Haasse stond in veel opzichten hetzelfde voor als Smit (gelijk werk, gelijke betaling, recht op abortus), maar ze ging verder. Heb ook waardering voor de taken in het huishouden, of die nu door een vrouw of een man gedaan worden. Heb waardering voor dat wat aan vrouwen wordt toegeschreven en waarop wordt neergekeken.

Het onderzoeken van dat wat aan vrouwen wordt toegeschreven was Haasses vorm van feminisme. Ze bekeek het ‘vrouwelijke’ in Een kom water een test vuur, hield haar loep boven de moeder en de oudere vrouw in de literatuur en legde de literatuurgeschiedenis van vrouwen bloot – zodat deze opgenomen kon worden in de canon. Ze schreef monografieën over schrijfsters, stelde een bloemlezing met vrouwelijke auteurs samen en verzette zich tegen het ‘misvormend korset’ waarin vrouwelijke auteurs geregen werden omdat hun toon en thematiek niet gewichtig genoeg zouden zijn. Onopgemerkt was ze ruim voor de tweede feministische golf een ambassadeur van de vrouw in de literatuur.

Literair onderzoek

Ook in haar literaire werk onderzocht Haasse het vrouwelijke. Neem Zelfportret als legkaart (1954), waarin ze de geschiedenis van Elckerlyc, de mensheid, tot onderwerp nam, maar uiteindelijk bij de geschiedenis van een mens, een vrouw, uitkwam. En terwijl ze dit deed, vernieuwde ze – en passant – de literatuur: ingenieus meanderend knoopte ze met twee verhaallijnen autobiografie en essay aan elkaar. Het is niet overdreven Zelfportret als legkaart daarom het eerste postmoderne boek uit de Nederlandse literatuurgeschiedenis te noemen.

In Een gevaarlijke verhouding of Daal-en-Bergse brieven gaat ze de dialoog aan over de rol van ‘dappere, zelfbewuste, zelfstandige, intelligente, doortastende en toch door en door vrouwelijke vrouwen’. Daarvoor jat ze een romanpersonage van een andere, achttiende-eeuwse auteur (Choderlos de Laclos), om die nieuw leven in te blazen in de toen veelgebruikte vorm van de brievenroman. Fictieve brieven uit de achttiende eeuw, geschreven door het personage markiezin De Merteuil, wisselen elkaar in de roman van Haasse af met brieven van een ‘ik’, die leeft vóór of in 1976. Het bijzondere is dat Haasse ook hier twee genres verknoopt (essay en fictie): ze voert een fictief betoog. De ‘ik’ uit haar roman neemt met indrukwekkende kennis de markiezin de maat: hoe dapper en doortastend was de markiezin eigenlijk, dat zij een man op wie zij verliefd raakte, verleidde om twee vrouwen te gronde te richten, waarna de man zelfmoord pleegde? Welke stereotypen kleven de markiezin aan? Tegelijk neemt de ‘ik’ zichzelf de maat, want ook zij is jaloers, op de gevoelens die haar man opvat voor een ander. De roman is zo een verantwoording van twee jaloerse vrouwen; een tenlastelegging en verdediging ineen.

Een tenlastelegging, want is een vrouw jaloers, dan is ze hinderlijk en lastig, zo schrijft de ‘ik’ in haar eerste brief aan de markiezin. Dat werpt de jaloerse vrouw machteloos op zichzelf terug. Wil een vrouw haar macht herstellen, dan komt zij er net als de rolmodellen Lady Macbeth en Medea achter dat er ‘geen vrouwelijke vorm van handelend optreden op het niveau van de macht’ bestaat. Deze vrouwen worden niet voor vol aangezien, maar beschouwd als afgeleide van de man. Door diepgevoelde krenking slaan zij aan het moorden. Hun beweegredenen worden niet gezien, de wereld noemt hen afkeurend monsters. Dezelfde egoïstische macht inzetten als de man, zoals ook De Merteuil deed, keert dus als een boemerang terug. Het werkt niet. Deze verdediging, die hun handelen begrijpelijker maakt, blijft onopgemerkt wanneer men deze vrouwen tot stereotypen reduceert.

De ingewikkelde machteloosheid van de vrouw zagen de recensenten over het hoofd als thema van het boek, dat ze door de vorm sowieso al problematisch vonden. En wat misschien nog erger is, ze misten ook de spot van Haasse. De schrijfster speelt met fictie en feiten en beleeft daar duidelijk demonisch plezier aan. Wanneer De Merteuil bijvoorbeeld in een koets Den Haag binnenrijdt met een sluier voor het gezicht, heeft de ik-verteller zich een brief eerder voorgesteld dat de markiezin zo’n sluier draagt om haar door pokken gehavende gelaat te verbergen. In de ene brief is het een verbeelding, in die van de markiezin een historisch feit. Dat vind ik lollig en geslepen.

Er is nog zoveel meer te beleven wat onopgemerkt bleef in de kritiek. De ik-verteller neemt zichzelf de maat, ze stelt zich serieus en breekbaar op, maar duikt uiteindelijk weg voor haar zelfkritiek. Ze vraagt zich af in hoeverre de schrijver Laclos met zijn jaloerse markiezin als personage uiting gaf aan iets van zichzelf dat hij niet kon benoemen. Wil de ik-verteller niet net als Laclos door manipulatie van anderen in een verhaal macht verkrijgen, als uitweg voor haar machteloosheid in het echte leven? Net als – o nee zeg – De Merteuil? Haasse belicht deze donkere kant van zichzelf door de twee vrouwen op elkaar te laten botsen. Het lijkt wel een krachtmeting in haar hoofd. Waarbij ‘toevallig’ De Merteuil de man-vijandige visie van het feminisme verwoordt. De markiezin verdwijnt schalks in de spelonken van de literatuur, terwijl de ‘ik’, die pleit voor opwaarderen van het vrouwelijke, terugkeert naar man en kinderen. Wat helemaal past bij Haasses idee dat het huiselijk leven meer waardering verdient.

Deze botsing maakt Een gevaarlijke verhouding tot een roman met een scherp randje. De techniek die Haasse daarvoor inzet, levert een bravourestuk op. Wie vertoonde dat eerder; een personage van een andere auteur stelen? Met bovendien als doel om dat personage te ontdoen van de stereotypen waarin men is blijven steken, en het daarmee beter te weten? Me dunkt, dat lijkt op hoogmoed. En dan nog volslagen ongeloofwaardig brieven sturen dwars door de barrière van de tijd? Tja, dat stuitte op een onverbiddelijk ‘dit overtuigt niet’ van de recensenten. Men zag noch haar technische vernieuwing, noch haar serieuze spel.

Nu kunnen we anders naar deze roman kijken, maar ook naar het vrouwelijke in het algemeen. De ideeën van Haasse mogen op het eerste gezicht gedateerd lijken, als je nauwgezet leest, zoals zij deed, zie je hoe razend actueel ze zijn. Want nog steeds waarderen we niet het vrouwelijke, maar waarderen we vrouwen in relatie tot de mannelijke norm.

Luister ook naar de podcast van Fixdit over dit boek: www.fixdit.nu/podcast.